Alles Een Stuk

Inkjet print, 2015

Vanuit een donker gat loeien ze met omhoog gerichte gezichten hun opengesperde muilen horizontaal naar boven naar buiten naar niets. In dit gat van de wereld gaat geen wereld ten onder, uit deze schreeuwende monden komt een wereld tevoorschijn, met alle ordeningen van dien.

Deze zwarte gaten herhalen zwarte gaten, en in de tijd tussen het herhalen loopt een oneindig dunne scherpe rand, haast niets, als niets er als iets uit kon zien. Het is een scherpte die verdeeld tussen geborgenheid en radeloosheid, en het creëert een keuze tussen hier en daar. Sommige monden zullen sluiten, sommigen zullen geopend blijven. Ze vormen nu een wispelturige orde. Sommige monden sluiten zich, maar radeloos, en sommigen schreeuwen, maar weten zich toch geborgen.

In deze eenvoudige binaire verdeling vinden ze dan toch een eerste geruststellende ordening vanwaaruit ze hun verschillen kunnen gaan uitwerken. In het negatieve van de gesloten mond reproduceren ze ditmaal niet de schreeuw maar het zicht dat wij hebben gekregen op de scherpte tussen de herhalingen in: een mogelijkheid… Waartoe? Dat is niet belangrijk. Mogelijkheid tot iets wat anders enkel niets zou lijken.

011001000110100101110010011001010110001101110100011001010110010000100000011000100111100100100000011000110110100001100001011011110111001100001010, de lijn die maakt dat ze rustig worden omdat ze, niet schreeuwend, toch lijken te bestaan; hun lippen als oneindige dunne randen op elkaar. (Maar als ze schreeuwen zullen ze nieuwe monden met hun geschreeuw mee opentrekken).

Deze ordening is geen rustig equilibrium, maar iets dat balanceert op de rand van een schreeuw en het niets, zingend over de liefde van ouders die niet in staat waren tot het normale in een liefde die te scherp is getrokken tussen het geschreeuw en het negatieve besluit.